tinderdate

Precies twintig minuten en dertien seconden later dan afgesproken wandel ik het café binnen. Perfect volgens plan. Op tijd komen is een teken van wanhoop, nog later komen lijkt onbeschoft. Twintig minuten is perfect. Voldoende om niet toevallig te kunnen zijn, om een gezonde nonchalance uit te stralen. Ik zie hem meteen zitten aan het derde tafeltje, gebogen over zijn smartphone. Het is geen knappe man. Zijn afgewassen blauwe hemd is hem net een tikje te groot en doet zijn lijf nog logger lijken. Onder zijn tweede kin kruipt een plukje stugge borstharen naar boven. Zijn dikke vingers pulken gretig aan zijn pafferige wang.

Ik hou van lelijke mannen. Het is alsof ze hun uiterlijke tekortkomingen willen goedmaken door ergens een buitengewoon talent voor te hebben. Het maakt hen heerlijk, bijna volmaakt. Ik heb nog nooit een lelijke man gezien die in alle opzichten middelmatig is. De boezemvriend van mijn oudste broer, die wij in de lagere school vrolijk ‘den dikke’ noemden, kon bijvoorbeeld ongelooflijk ver rochelen. Hij won elke spuugwedstrijd op zijn sokken. En mijn eerste lief, een pokdalige slungel in ons eerste jaar van de universiteit, kon waanzinnig goed zingen. Hij schaamde zich voor zijn hoge tenorstem en zei in gezelschap geen woord, maar ik vond hem in elk opzicht prachtig.

Benieuwd wat deze kerel onder zijn bolle lijf verborgen houdt. Hij heeft me nog steeds niet in de gaten. Ik schud mijn haren, wandel naar zijn tafeltje en schuif nadrukkelijk de stoel over hem naar achteren. “Leon, veronderstel ik?” Dat klonk nukkiger dan bedoeld. Met overdreven heupgewieg gooi ik mijn tas op de grond en vlei ik me neer op de stoel. Ik hoop dat mijn gespeelde zelfzekerheid mijn gierende zenuwen zodra zal temmen. Leon verschiet zo hevig dat hij zijn telefoon uit zijn handen laat vallen. Alsof iemand net met een hamer op zijn knie heeft geklopt, schiet terzelfder tijd ook zijn been uit, zodat hij mijn rechterscheen ongewild een stevige trap verkoopt. “Oh! Sorry! Djiezes, het spijt mij!” De witte schilfertjes die zonet nog op zijn schouders lagen, dwarrelen als een aureool om hem heen. Zijn borsten zijn zeker twee keer zo groot als de mijne. Dat zegt meteen iets over ons allebei. “Heb ik je pijn gedaan?” vraagt hij met lichte knik in de stem. Een normale stem. Dit loopt niet van een leien dakje. Ik voel een pijnscheut door me heen gaan, maar tover toch een grote glimlach op mijn gezicht, in een poging de situatie te redden.

“Oh nee hoor, ik kan best tegen een stootje. Zit je hier al lang?” Ik zie de twijfel in zijn ogen. Als hij eerlijk zegt dat hij hier al even op me zit te wachten, zou hij me met een schuldgevoel kunnen opzadelen. Dat wil hij natuurlijk niet. Als hij zegt dat hij hier zelf nog maar net is, lijkt het of hij ongeïnteresseerd is, iets wat hij zich niet kan en wil permitteren. Ondanks mijn muggenbeetjes ben ik in zijn ogen ongetwijfeld een vamp. Hij gaat dan maar voor de veilige weg en murmelt iets onverstaanbaars terwijl hij zijn schouders ophaalt. We kijken elkaar aan. De stilte tussen ons doet het geroezemoes op de achtergrond ondraaglijk luid worden.

 

“Zullen we iets bestellen?”, vraagt Leon terwijl hij gretig naar de pint in de hand van de man aan de toog kijkt. Hij heeft zijn natuurlijke scheve glimlach herwonnen en wint daarmee op een halve seconde tijd mijn hart. We bestellen allebei een donkere trappist, iets waarmee ik duidelijk het zijne win. Een vrouw die écht bier drinkt, dat vindt hij heerlijk, schreeuwt hij met guitige ogen uit. Twee trappisten verder komen onze gemoederen en onze tongen eindelijk wat los. Leon blijkt een uiterst charmante toneelschrijver te zijn, ik vertel hem over mijn schaduwcarrière als moderne danseres. Dat ik uit gebrek aan werk maar tegen mijn zin ben gaan lesgeven, laat ik voorzichtig achterwege. Opnieuw twee trappisten. Ik heb de hele dag nog niet gegeten.

Hoe meer Leon drinkt, hoe innemender hij wordt. Ik ben meteen weg van deze rare man. Voor ik het weet, schuift hij achter de piano naast de toog en slaat hij met veel allure de toetsen aan. Twee tellen later staat het hele café rond hem. Nog eens twee trappisten, alstublieft. Leon dreunt met zijn knoesten op de piano en buldert een rauw Blues nummer. Mensen fluiten, kijken mij onder de indruk aan. Ik heb nooit iemand valser horen zingen, maar dat deert niet. Leon is een ster. Mijn ster.