Portret van Christina

‘Jongens, we moeten echt vertrekken! Ik tel tot 3!’

Christina’s stem klinkt kort, bijna agressief. Het is drie voor halfnegen en de klok in de gang blijft treiterig verder tikken. Ze weet nu al hoe de juf haar straks een ijskoude en schuldige blik zal toewerpen. Net als gisteren. En de dag daarvoor.

‘Mama, waar zijn mijn schoenen?’ Met een gevaarlijke snelheid komt Benny de trap afgelopen. Christina voelt de ader in haar rechterslaap bonzen. Steeds vaker tegenwoordig. Ze wijst in stilte naar het paar modderige sportschoenen dat op de Zweedse bank staat.

‘Je weet trouwens dat ik die modder niet in huis wil. Doe in het vervolg je schoenen uit in de garage.’

De jongen haalt adem en maakt zich klaar om zijn moeder van weerwoord te bieden, maar ze is hem voor.

‘Je hebt drie tellen om met je klaar te maken en in de auto te kruipen, of ik ben zonder je weg. Dan kan je te voet gaan.’

 

Ook Ruben verschijnt op de trap, veel rustiger dan zijn broer. Zo gaat het elke dag opnieuw. Benny die niet snel genoeg kan vertrekken, en Ruben die zich door niets of niemand laat opjagen. Zelfs bij hun geboorte slaagde Ruben erin om een drie kwartier later te komen dan zijn broer. Zelfs de gynaecoloog was ongerust.

‘Mama, je hebt mijn zwemzak niet klaargelegd. De juf heeft het gisteren nog in mijn agenda geschreven!’

Juist, die klotezwemzak. Twee weken geleden was Ruben huilend thuisgekomen. Hij had niet mee kunnen zwemmen omdat hij geen zwemgerief bij zich had, en kreeg daar ook nog eens strafwerk voor. De juf had niet nagelaten een vlammende nota in zijn agenda te schrijven, aan Christina gericht. Dat Ruben nu al drie keer zonder het nodige materiaal op school was verschenen, terwijl het schooljaar nog maar twee maanden ver is. Dat het eerste leerjaar anders is dan de kleuterklas, en dat er wat meer hulp van ouders wordt verwacht.

‘Eigen schuld, jongen. Je bent oud genoeg om voor je eigen spullen te zorgen. Zeg maar tegen de juf dat je een wrat hebt en niet mag zwemmen van de dokter ofzo. Vooruit, nu maken dat je in de auto zit.’ Het klinkt veel luider en bozer dan ze eigenlijk bedoelt.

Christina besluit zijn trillende onderlip te negeren, in de hoop dat hij het voorval alweer vergeten is tegen de tijd dat ze aankomen in de school. Ze grist haar tas van de kapstok, loopt achter de jongens aan naar buiten en haast zich naar school.

Het is intussen twintig voor negen, Christina snakt naar haar eerste witte wijn.