De enveloppe

Hij schraapt zijn keel, trekt zijn stropdas recht en laat de punt van zijn paraplu stevig op de kinderkoppen tikken. Met lichte huivering kijkt hij toe hoe het anders zo rustgevende dorpsplein is veranderd in een zootje ongeregeld van schreeuwerige kleuren. Het beeld van stinkende arbeiders, hollende kinderen en kermiskramen dondert zijn licht neurotische geest binnen. Het duizelt hem, maar hij is een man met een missie, vooruit met de geit. Met stevige tred en suizende oren gaat hij de kolkende mensenmassa tegemoet, recht op zijn doel af.

“Ah, monsieur <em>le notaire</em>!” sist een vrouwenstem in zijn rechteroor. Hij herkent ze meteen. Germaine Vandurmen, enige dochter van de vroegere bankdirecteur. Germaine had hem enkele maanden geleden openlijk een bedrieger genoemd, nadat bleek dat zij niets van haar ouders erfde omdat haar moeder elke cent van het familiefortuin erdoor had gejaagd. Mevrouw Vandurmen had hem, zevende generatie van notarissen en een uiterst plichtsbewust man, ervan beticht enkele miljoenen te hebben verduisterd nog voor zij inzage had gekregen in de rekeningen. Een onderzoek van de rijkswachter had hem dan wel vrijgepleit, zijn goede naam was voor eeuwig door het sluik gesleurd. Het geval had zelfs in de dorpskrant gestaan. Hij beantwoordt de giftige kwatong met een  beleefd knikje en beent door nog voor ze haar mond verder kan openen.

Enkele meters verder doemt de glimmende paardenmolen op. De combinatie van zachtroze en snoepjesgeel maakt hem misselijk. Het veel te luide deuntje van het fluitende draaiorgel doet hem aan zijn eigen jeugd denken, zo’n goeie veertig jaar geleden. Als kind deed hij niets liever dan een rondje op de molen zitten, tot hij in een poging de flosj te vangen in een duikvlucht met zijn gezicht op de metalen rand van de molen was gevallen. Zijn volledige kostschooljaren had hij zonder tanden doorgebracht, zijn linkeroog hangt nog steeds lichtjes omlaag.

Aan de vertraging van de molen merkt hij dat de ronde bijna voorbij is, het draaiorgel spuwt krakend haar laatste noten uit. Hij moet snel zijn nu, hij heeft maar enkele minuten tijd tussen het einde van deze beurt en het begin van de volgende. Hij ziet meteen de blauwe pompoenkoets op de molen, maar even verder ziet hij ook een gele. Welke moest hij ook alweer hebben?

Uit de binnenzak van zijn gesteven wollen jasje haalt hij het telegram dat hij vorige week aankreeg. Anoniem. ‘Onder de blauwe pompoenkoets op de paardenmolen zal een enveloppe voor u klaarliggen. Haar inhoud zal u kritieke informatie verschaffen over de moord op baron de Celles. Neemt deze boodschap serieus, alleen gij kunt deze zaak ophelderen. Moge recht geschieden.’

Ongeduldig wacht hij af tot het laatste schreeuwende arbeiderskind van de molen is gestapt en merkt zelfs haast niet dat diens beschonken vader een guts bier over zijn jasje kapt. Op het juiste moment springt hij de molen op, duikt bij de pompoenkoets op zijn knieën en tast de onderkant van de pompoen af. Zijn hart slaat een slag over wanneer hij een holte in de ronde koets voelt. Voorzichtig laat hij zijn vingers erin glijden en voelt links, niets, rechts, ook niets. Hij duwt zijn arm dieper in het gat, tot ongeveer aan zijn ellenboog. Bijna onmiddellijk voelen zijn vingers de gladde textuur van duur papier. Hebbes! Ondertussen weerklinkt de bel voor de volgende ronde al, een nieuwe groep joelende kinderen bestijgt de molen. Duizelig van opwinding haalt de notaris traag de dikke enveloppe tevoorschijn.

‘Testament van zijne heer Baron de Celles.’, staat er in krullende letters geschreven. Als inktpatronenverzamelaar ziet de notaris in een oogopslag dat de zwarte inkt op deze enveloppe speciaal geïmporteerd moet zijn uit het Oosten, en bijgevolg peperduur.Zo snel als mogelijk verlaat hij de drukte en beent langs de dreef voorbij het bos naar zijn eigen woning. De enveloppe brandt in zijn binnenzak. Hij houdt even halt bij het statige kasteel van de baron, ademt diep in, en knikt goedkeurend. Al eeuwen behartigt zijn familie de notariële belangen van het geslacht de Celles. Recht zal geschieden, dat zweert hij op het hoofd van wijlen zijn vader.