Inkopen doen

Met grommende maag staat ze voor een hele rayon chips. Dit overleeft ze niet. Zeventien verschillende soorten, van ultradik tot extra geribbeld tot ovengebakken.

Het wordt zo ondertussen een ritueel, telkens wanneer de jongens bij hun vader zijn en ze de week alleen moet doorbrengen. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer, van de ene kant van het rek naar de andere. Rechts van haar komt een man kordaat naar haar toe gewandeld. Ze deinst geschrokken opzij. Even zoekt hij haar blik en kijkt haar vragend aan. Dan neemt hij een pak peper en zout Kettle’s uit het rek en legt die in zijn winkelmandje, terwijl zijn blik op haar blijft rusten.

‘Laat die chips maar zitten,’ denkt ze, ‘ik maak me hopeloos belachelijk.’ Sla is het volgende item op haar lijstje. Deze keer is de keuze makkelijker: een pakje veldsla voor één persoon. Wanneer ze bij de wijn aankomt, steekt de keuzestress de kop weer op. Haar ogen glijden minutenlang over de etiketten, terwijl mensen naast haar vastberaden een fles uit het rek nemen. Ze voelt hun blikken in haar rug branden en ziet hun scheve blikken. Ze laat de wijn voor wat hij is, versnelt haar pas en loopt door.  Haar ademhaling gaat tegen haar wil omhoog. Ze snelwandelt koortsig door de winkel. Nadenken gaat niet meer. Een vrouw met een overvolle kar komt in de tegenovergestelde richting naar haar toe gewandeld, maar in blinde paniek heeft ze haar te laat gezien. Ze botsen tegen elkaar op,  er valt een pak kalfskoteletten uit de kar op de grond. De vrouw kijkt haar verontwaardigd aan.

‘Sorry, ik had u niet gezien.’, mompelt ze binnenmonds. Ze loopt door voor de vrouw kan antwoorden. Aan haar arm bungelt een rood winkelmandje met alleen een pakje veldsla. Na vierendertig minuten in deze winkel is dit haar schamele buit. Ze moet hier weg. Haar ademhaling is intussen zo snel en hoog dat ze er licht van in het hoofd is geworden. Haar denkvermogen wordt overmeesterd door een constante zachte suis in haar oren. Ze kan niet meer. Paniek en afschuw maken zich van haar meester. In een gejaagde opwelling zet ze haar winkelmandje op de grond, loopt met onzekere tred naar de kassa, naar de uitgang van de winkel. Wanneer ze terug in haar wagen zit is ze nog zo verward dat ze is vergeten hoe ze het ding moet besturen. Ze zet de wagen in achteruit, gaat veel te hard op het gaspedaal staan en stuurt de achterkant van de wagen uit onmacht hard tegen de muur van de parking. De bumper kraakt luid. Tien minuten later komt ze met lege handen thuis, haar maag gromt nog steeds.